Rendement berekenen: waarom percentages misleiden
Rendement uitrekenen lijkt eenvoudig, tot je stortingen, meerdere jaren en tussentijdse verliezen meeneemt. Juist bij dat laatste gaat het mis: procenten zijn niet symmetrisch, en dat kost meer dan de meeste beleggers denken.
Het eenvoudige geval
Koop je voor 1.000 euro en is het nu 1.200 waard, dan is je rendement 20 procent: het verschil gedeeld door de inleg.
Zodra je tussentijds bijstort of opneemt, klopt die som niet meer. Een portefeuille die van 1.000 naar 2.000 groeide terwijl je onderweg 800 euro bijstortte, heeft geen 100 procent rendement gemaakt.
De asymmetrie van verlies
Dit is de belangrijkste rekenkundige eigenschap om te kennen. Verlies je 50 procent, dan heb je daarna 100 procent winst nodig om terug te zijn waar je begon.
De reden is dat het tweede percentage over een kleiner bedrag wordt berekend. Van 1.000 naar 500 is de helft eraf; van 500 terug naar 1.000 is een verdubbeling.
Dat werkt door bij elke omvang. Een verlies van 20 procent vraagt 25 procent winst om te herstellen; 33 procent verlies vraagt 50 procent. Hoe dieper de daling, hoe onevenrediger het herstel. De drawdown-calculator rekent dat voor je uit, en het is meteen het beste argument voor risicomanagement.
Gemiddeld rendement bestaat in twee smaken
Stel dat je in jaar één 50 procent wint en in jaar twee 50 procent verliest. Het rekenkundig gemiddelde is nul, dus je zou quitte moeten staan.
In werkelijkheid niet: 1.000 wordt 1.500 en daarna 750. Je staat 25 procent in de min terwijl het gemiddelde nul aangeeft.
Daarom wordt bij meerjarige rendementen het meetkundig gemiddelde gebruikt, ook wel CAGR genoemd: het jaarlijkse percentage dat, elk jaar toegepast, tot hetzelfde eindbedrag leidt. Dat cijfer is lager dan het rekenkundig gemiddelde en geeft een eerlijker beeld.
Wat er nog meer af gaat
- Kosten — lopende kosten worden jaarlijks ingehouden, ook over rendement dat je al had. De kostenimpact-calculator maakt zichtbaar wat dat over de jaren scheelt.
- Belasting — in box 3 betaal je over je vermogen, ongeacht het behaalde rendement. Zie de box 3-calculator.
- Inflatie — 6 procent rendement bij 3 procent inflatie is in koopkracht 3 procent. De inflatie-calculator rekent het om.
- Valuta — bij buitenlandse beleggingen beweegt ook de wisselkoers mee, zoals beschreven in valutarisico.
Vergelijken met een index
Een rendement zonder vergelijking zegt weinig. 8 procent in een jaar waarin de markt vijftien procent steeg, is achterblijven. Zet je resultaat daarom altijd af tegen een passende index — welke dat is hangt af van waarin je belegt, zoals uitgelegd in wat is een index.
Twee beleggingen naast elkaar leggen kan met de vergelijkingstool. Wie ook de beweeglijkheid wil meewegen, gebruikt de Sharpe-ratio: die laat zien hoeveel rendement je kreeg per eenheid risico.
Waar het echt om gaat
Uiteindelijk telt niet het percentage maar wat je eraan overhoudt in koopkracht, na kosten en belasting. Dat cijfer is vrijwel altijd lager dan het brutorendement waarmee wordt geadverteerd — en het is het enige dat je daadwerkelijk kunt uitgeven.